Grote Kerkstraat 24b, 1135 BD Edam. Phone: 0299 316986
 

Edammer Bottertochten terug op het water! Meer info volgt.

De Bottervloot en haar ontstaan

 

Door Thom van der Woude

Op de Nederlandse wateren varen zo'n zestig schepen met een gezamenlijke geschiedenis. Het zijn vissersschepen van de voormalige Zuiderzee. Het zijn de laatste getuigen van de Gouden Eeuw. Hun bouwwijze, constructie en vorm komen rechtstreeks van de oude scheepswerven waar tot 1750 de vloten van de WIC, VOC en Admiraliteit werden gebouwd. Een vaartocht met zo'n zeilend vissersschip maakt het verleden tastbaar en het heden een nieuwe ontdekking. Ik heb een en ander bij elkaar gezet, heb niet de pretentie volledig of historisch te werk te zijn gegaan. Onderstaand verhaal zal zich verder blijven ontwikkelen.

 

Een voorganger van de botter: het waterschip. De botter ontwikkelde zich in de laatste tweehonderd jaar tot het meest verspreide en bekendste vissersschip van de Zuiderzee. Het ontstaan van de botter in zijn huidige vorm markeerde een technische sprong voorwaarts in de Zuiderzeevisserij. Tot dan toe werd de visserij gedomineerd door enerzijds kleine kustvissertjes, veelal boeren die de visserij met bootjes en schuitjes met staande netten langs de wal uitoefenden, naast hun boerenbedrijf. Anderzijds werd de visserij  beoefend door  beroepsvissers, die met grote schepen met sleepnetten, kuilen, de diepere gedeelten van de Zuiderzee bevisten. Het vissersschip dat hiervoor het meest werd gebruikt was het waterschip. Vanaf de late middeleeuwen was dit het meest verspreide en bekendste schip van de Zuiderzee.

 

Waterschip

 

Kenmerken van het waterschip, die we later terugzien in de kwak en botter zijn de bunconstructie en verschillende onderdelen in de dekconstructie die erop duiden dat het vaartuig een grote trekkracht kon uitoefenen. Er zijn significante overeenkomsten in de manier van vissen en de uitrusting daartoe tussen waterschip en kwak, die doen veronderstellen dat de kwak een eigen ontstaansgeschiedenis en ontwikkeling heeft doorgemaakt, die wellicht verder teruggaan dat die van de botter.

 

Scheepskameel

 

Behalve voor de visserij werd het oude werkpaard van de Zuiderzee ook gebruikt voor sleepwerkzaamheden. Het waren Marker en Uitdammer waterschepen die de beroemde scheepskamelen over het Pampus sleepten. Op last van koning Willem I werd in de twintiger jaren van de 19e eeuw het Groot Noord-Hollandsch Kanaal gegraven, om Amsterdam bereikbaar te houden voor zeeschepen. De route over het Pampus raakte aldus in onbruik. Het laatste waterschip van Marken  werd in 1825 gesloopt.

 

Het waterschip was een sprietgetuigde s-spant. Met de toepassing van zijzwaarden en het moderne gaffeltuig met genua op bestaande platboomde scheepstypen, ergens in de eerste helft van de 18e eeuw, ontstond een goed werkbaar en zeewaardig scheepstype dat voldeed aan de eisen van de toenmalige visserij. Er vond schaalvergroting plaats. Door de verzilting van de Zuiderzee en de rijke kustwateren werd het voor de vissers interessant om verder weg te gaan. De ontwikkeling van het nieuwe schip kwam erdoor in een stroomversnelling. In de twee eeuwen daarna werden de ervaringen van de vissers steeds in nieuwe generaties botters en kwakken door de bouwers verwerkt. De schepen die we nu kennen markeren het einde van die ontwikkeling.

 

De botter. Rond 1900, in de hoogtijdagen, waren er zo'n 3000 grote en kleine vaartuigen met ongeveer 7000 opvarenden actief in de Zuiderzeevisserij. Vlootlijsten uit diezelfde tijd geven voor de belangrijkste havens de volgende aantallen botters en kwakken op: Enkhuizen 44, Hoorn 20, Volendam 240, Marken 138, Durgerdam 34, Huizen 145, Bunschoten 171, Harderwijk 78, Elburg 17, Vollenhove 2, Lemmer 12 en Urk 119. Nogmaals, de andere scheepstypen worden hier buiten beschouwing gelaten. Het geeft een totaal van 1020 botters. Niet alle havens waren bij deze telling betrokken, waardoor het aantal nog wel iets hoger gelegen zal hebben.

 

De oorsprong van de botter moet worden gezocht in de oude scheepsbouwcentra aan de Hollandse kust. Op afbeeldingen uit de eerste helft van de 18e eeuw zijn de eerste botterachtige scheepjes te herkennen, terwijl in handschriften voor het eerst sprake is van de vermelding van 'botschuiten' en 'botter'. Dit is vooreerst een aanduiding van het type visserij dat met de schepen werd bedreven, botslepen, zoals de kwakkuil zijn naam mogelijkerwijs gaf aan de kwak en de treil aan de treiler.

 

De aanduiding 'botter' raakte op den duur ingeburgerd. Er is sprake geweest van een geleidelijke evolutie. De eerste botschuiten verschilden op talrijke punten van de ons bekende botter. Noodzakelijke aanpassingen, voortkomend uit het intensieve gebruik en de relatief korte omlooptijd van een schip, toepassing van nieuwe technieken, veranderend gebruik en een zich ontwikkelend vormgevoel hebben tot het laatst toe de bouw van deze schepen beïnvloed.

 

Balkenplan van de botter

 

Lijnenplan van een botter.

 

Lijnenplan van een botter

 

Het gangbare type botter, dat van de west- en zuidwal, is zo'n 13 meter lang, ruim 4 meter breed en heeft een diepgang van zo'n 80 centimeter. Fok en grootzeil meten samen zo'n 70 m2. De Markers, Huizers en Bunschoters gebruikten het schip vooral voor de gaand-wantvisserij, zoals die met sleepnetten, dwars- en wonderkuil. Onder de vissers van de oostwal, maar ook die van Hoorn, vond men overwegend staand-wantvissers en deze hadden een voorkeur voor een kleiner slag botter. Doorgaans visten deze mensen met staande botnetten.

 

De kwak.

 

De kwak

 

De kwak VD34

De kwak VD34 van Kompik in het Krabbersgat, het zeil getrokken in een 'Enkhuizer'.

 

 

Wordt vervolgd.

Bronvermelding:

Beylen, J. van, De botter, Weesp 1985

Botterbehoud, Tagrijn 1(1972) - 1(2003)

Crone, G., Onze schepen in de gouden eeuw, 1943(2)

Dorleijn, P., Van gaand en staand Want I, Amsterdam 1982

Dorleijn, P., Van gaand en staand Want II, Amsterdam 1982

Dorleijn, P., Van gaand en staand Want III, Amsterdam 1983

Dorleijn, P., Van gaand en staand Want IV, Amsterdam 1985

Dorleijn, P., Van gaand en staand Want V, Lelystad 1996

Dorleijn , P., De bouwgeschiedenis van de botter, Lelystad 1998

Flevobericht 140, Het wrak van een 16e eeuws vissersschip in flevoland, Lelystad 1975